3 september 2017

ds. E.K. Foppen Genesis 12:10-13:4

Predikant:
Bijbeltekst: Genesis 12:10-13:4 Openbaring 2:1-7

Samenvatting:

Abraham heeft God gehoorzaam gevolg en zijn land verlaten. Hij heeft alles opgegeven en komt aan in Kanaän. Maar in het gebied wonen al mensen die ook nog eens andere goden dienen. Gelukkig verschijnt God ook aan Abraham als hij bij de eikenbossen van Mamre is. God bevestigt dat dit wel het beloofde land is. Abraham moet dus leven bij de belofte, ook al lijkt het er nog niet op. Ook bij het avondmaal worden de beloften opnieuw ja en amen in Christus.
Het wordt echter nog moeilijker, want er komt honger in het land. Is dat nu de beloning van Abrahams gehoorzaamheid? Tegenslag is vaak het eerste station op de weg van God. Soms zou je ook in dit leven meer bevestigingen willen ontvangen van de beloften van God. Wij weten niet wat honger is: honger is heel wat anders dan trek. Abraham gaat naar Egypte omdat daar wel overvloed is. Kennelijk heeft Abraham hier niet gebeden, terwijl hij dat eerst wel deed door te offeren en de naam van de Heere aan te roepen. Het was letterlijk en figuurlijk een afgang dat Abraham naar Egypte ging. Abraham ging van de belofte die je niet ziet naar de welvaart die je wel ziet. De hele dimensie met God komt niet meer aan de orde in dit gedeelte. Egypte verschijnt, maar God verdwijnt.
Egypte maakt Abraham bang vanwege zijn vrouw. Als Abraham hierover nadenkt, vreest hij voor zijn leven. Abraham verzint een list en spreekt met Saraï af dat zij moet zeggen dat ze een zus van Abraham is. Ze hadden wel dezelfde vader, maar dat ze getrouwd zijn, wordt verzwegen. Als Abraham een broer is kan hij er nog beter van worden doordat hij een bruidsschat ontvangt. Dit is een zwarte bladzijde in het leven van Abraham, die in de Bijbel echter niet verzwegen wordt. De Bijbel is een eerlijk boek. Onze reactie zou een soort geruststelling kunnen zijn: als zelfs Abraham het niet haalt, hoeft het bij mij ook niet zo goed te zijn. Deze geschiedenis staat er echter niet ter geruststelling, maar als waarschuwing. Wij gaan niet aan het Avondmaal omdat wij zo goed zijn.
Abraham was als het ware bereid om zijn vrouw te verkopen. In Egypte wordt de schoonheid van Saraï opgemerkt, zelfs door de hovelingen van de Farao. De Farao had een collectie, harem, van mooie vrouwen waarmee hij zijn macht kon laten zien. Abraham wordt er nog veel beter van, want hij krijgt er een heleboel voor: vee, slaven en slavinnen. Hoe zou Saraï dit gevonden hebben? Er staat niets over. In deze geschiedenis gaat het er meer om dat Abraham afglijdt en God ingrijpt. Als wij ontrouw zijn, blijft God trouw. De Heere trof het huis van Farao met plagen (misschien wel ziekten). Het is voor de Farao wel duidelijk dat dit vanwege de vrouw Saraï is. De Farao vraagt waarom Abraham niet verteld heeft dat Saraï zijn vrouw is. Abraham heeft nu niet veel te zeggen. De machtige Farao moet buigen voor de God van Abraham. Abraham wordt wel de les gelezen door de heidense Farao. Die ervaring kunnen we ook hebben, dan zegt een ongelovige tegen je “ik dacht dat jij ook van de kerk was”. Dat is dan beschamend en doet de naam van God geen eer aan. Toch gebruikt God zulke mensen. Abraham gaat weer terug naar het land van Kanaän.
Als we volgelingen van Jezus zijn, kunnen we niet zomaar een afslag nemen bij Hem vandaan. Wij belanden soms al te gemakkelijk in Egypte. God blijft echter trouw aan zijn beloften, aan Abraham, aan Israël. Al de beloften die aan Abraham zijn gedaan zijn waar en vast in Jezus Christus. God houdt vast aan deze beloften, wij vaak niet. In deze geschiedenis lezen we ook wat bekering is. In hoofdstuk 13 lezen we dat Abraham reist van rustplaats naar rustplaats. Abraham gaat weer terug naar de laast waar Abraham het altaar bouwde en de naam van de Heere aanriep. Bent u (nog) bij de plaats waar u tot God bad, of bent in Egypte? Het altaar is de plaats waar u God ontmoet. Hoe ver moet u terug om bij uw altaar aan te komen? Een uur, een week, of nog langer? Vaak moeten we terug uit de plaats waar we onszelf helpen, of een plaats van welvaart, enzovoorts. Deze preek wil leiden tot het gebed uit psalm 139:
Doorgrond, o God, mijn hart;
het ligt toch open voor uw aangezicht.
Toets mij of niet een weg in mij
mij schaadt en leidt aan U voorbij.
O God, houd mij geheel omgeven,
en leid mij op de weg ten leven.
Christenen zijn mensen van de Weg. Maar Christenen kunnen ook van de weg af zijn en moeten dan weer terugkeren. Bent u in het land van Egypte of in het land van de belofte? Heere, houdt mij geheel omgeven.
Amen.

Archieven

Categorieën