30 augustus 2020

Een zingende God

Bijbeltekst: Zefanja 3:1-20
Dienstsoort:

Samenvatting

Ik kan er maar niet aan wennen dat we als gemeente niet mogen zingen. Zingen en geloven horen
onlosmakelijk bij elkaar. Er is geen andere wereldgodsdienst waarin zingen centraal staat. Barth heeft
gezegd: een christelijke gemeente waar niet gezongen wordt, is geen gemeente meer. Het is een
kerntaak van de gemeente: samen de lofzang voor God gaande houden. We zijn dankbaar voor de
alternatieve manieren om een gezang ten gehore te brengen. Maar het blijft een gemis dat we als
gemeente niet kunnen zingen. Maar ook als wij niet kunnen zingen, hebben we een God die zingt!

Zefanja beschrijft verbolgenheid, verwoesting, vernietiging, duisterheid op de dag van de Heere. God
zal de hele aardbodem vernietigen. Wat drijft God, met eerbied gesproken, tot deze uiterste grens?
Zefanja is een schriftprofeet; we weten alleen van hem wat er in zijn boek geschreven staat. Hij
profeteert tijdens de regering van Josia. Niet lang na de tijd van Zefanja wordt het volk in
ballingschap weggevoerd. Manasse had het volk in goddeloosheid gestort. Josia was op zijn 8 e koning
geworden, en op zijn 16 e begon hij God te zoeken. Er werd een oude wetsrol gevonden in de tempel.
Deze werd voorgelezen voor Josia. Hij raakte diep verslagen, en liet de wetsrol aan het hele volk
voorlezen. Even leefde het geloof op, maar het was niet genoeg om het hele volk terug te laten keren
naar God. Dat zijn de dagen waarin de boodschap van Zefanja klinkt. Als je het boek Zefanja van
begin tot einde doorleest, valt je wellicht op dat er weinig concrete zonden worden genoemd. Als
voor God de uiterste grens bijna bereikt is, klinkt een dieper oordeel: U hebt Mij niet gezocht, u hebt
in uw hart geen verlangen naar Mij, u komt niet meer voor Mijn aangezicht. Het doet denken aan de
samenvatting die Jezus van de wet gaf. Juist in de kern van de geloofsrelatie met God was het mis
gegaan. En juist omdat het daar mis is gegaan, klinkt het oordeel zo radicaal. We voelen Gods pijn
over de afwijzing van Zijn volk.

Als je oppervlakkig naar de tien geboden luistert, kun je denken dat je het nog niet zo slecht doet.
Maar als je eerlijk naar de samenvatting van Jezus luistert, sta je elke keer weer schuldig voor God.
Bij de inwoners van Juda was de liefde voor God totaal opgedroogd. Zelfs in de tempel werd niet
meer gezongen voor God. Na 2,5 hoofdstuk vol oordelen, klinkt opeens in hoofdstuk 3 vers 9 een
andere toon. De woorden over het oordeel worden niet ingetrokken, maar ze worden wel
overstemd. Dat licht komt uit het hart van God Zelf. God kan niet écht afscheid nemen van Zijn volk,
daarvoor heeft Hij het te lief. Vers 17 wordt wel het Johannes 3:16 van het Oude Testament
genoemd. Niet langer staat God als een rechter tegenover Zijn volk. De Heere is in het midden van
het volk, er is toekomst voor God en Zijn volk. Na al die falende koningen zal Hij zelf weer Koning van
Zijn volk worden. Hij zal komen als een Held om te verlossen. Zefanja gaat over in dichtvorm in de
laatste drie regels van vers 17, om die liefde van God te beschrijven. Het volk dat God totaal vergeten
is, geeft vreugde in het hart van God. Gods liefde is zó diep, dat God er Zelf stil van wordt. Maar dat
duurt niet lang; God zal juichen, jubelen, zingen in de hemel. In Zijn liefde houdt God zelf het gezang
gaande.

Deze tekst geeft aanleiding om ook te betrekken op ons eigen leven. In dit gedeelte is een grote
openheid. De omslag van donker naar licht in vers 9 begint niet bij Israël. Er is niet alleen hoop voor
Israël, maar voor alle volken. Verder dan de rivieren van Cusj kende men in die dagen niet. Die
openheid en verwachting krijgt in het Nieuwe Testament zijn vervulling. Alle volken mogen meedelen
in de liefde voor het volk van Israël, en daarmee wordt de liefde van God niet minder of minder
intens. God heeft u lief met een onvoorstelbare liefde. Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap,
Hij zal zwijgen in Zijn liefde voor u en Hij zal Zich over u verblijden met gejuich. De Heere zingt omdat
Hij van ons houdt. We kunnen dat maar moeilijk geloven. Veel van ons vinden het al moeilijk om
onszelf een beetje lief te hebben. We kunnen zo makkelijk onze eigen slechte kanten zien. We doen
steeds maar weer die zonde waar we niet af kunnen komen. We vinden ons zelf lelijk of
minderwaardig om wat voor reden dan ook. Dat God andere mensen lief heeft, kunnen we wel
geloven, maar óns? Het klinkt vanmorgen uit Zefanja overduidelijk: God zingt, omdat Hij van u houdt.
God jubelt het uit van liefde voor u en voor jou. God weet wel met wie Hij te maken heeft, Hij weet
wel dat wij zondaren zijn. En tóch heeft Hij lief, zo lief dat Hij zelfs Zijn eniggeboren Zoon niet
gespaard heeft. Gods onbegrijpelijke liefde welt op uit Zijn eigen hart. Onbegrijpelijk, maar heerlijk.
Een liefde om zelf ook stil van te worden. Het initiatief voor die liefde ligt bij God, maar tegelijk
vraagt die liefde wel wat van ons. Het vraagt geloof en nederigheid. Laat er blijdschap, vrolijkheid en
gejuich zijn. Verwondering over de diepe liefde van God. We dienen een zingende God, en laten we
daar juist in deze periode aan vast blijven houden. Omdat Hij zingt, zullen wij ook weer zingen!
Amen.

Archieven

Categorieën