19 april 2020

Gooi het over een andere boeg en je zult vinden

Bijbeltekst: Johannes 21:1-14
Dienstsoort:

Samenvatting

Preek
De vissende discipelen waren eerst teleurgesteld toen men niets ving, maar toen het net
aan de andere zijde van het schiep werd uitgegooid, ving men wel veel vis: 153 vissen.
Over de het getal 153 is al veel gespeculeerd. Dit bijbelgedeelte heeft een heel praktische,
maar ok een geestelijke kant.

De Heere Jezus heft de discipelen verschillende keren ontmoet. De eerste keer toen de
discipelen bij elkaar zaten met de deur op slot, omdat ze bang waren. Het was een
verassing dat de levende Jezus ineens bij hen was en Hij zegt “vrede zij met jullie”. Ze
hoeven dus niet bang te zijn. Een week later zaten de discipelen, met Thomas erbij, weer
bij elkaar als Jezus komt. Jezus geeft de discipelen de opdracht om naar Galilea te gaan,
want daar zouden ze Hem zien.

7 discipelen zijn bij de zee van Tiberias. Petrus neemt het initiatief: “ik ga vissen”. De
andere discipelen gaan met hem mee. Dan komen ze een Man aan de kant van het meer
tegen die vraagt om wat eten. Hun antwoord is kortaf “nee”. De discipelen hebben het
leven weer opgepakt, zoals wij dat ook wel zouden willen. Hoe houden we het nu vol in
deze omstandigheden: thuis werken, onzekerheid over onze baan, angst voor ziekte,
enzovoorts?

De discipelen hadden al een keer eerder meegemaakt dat men het net aan de andere
kant moesten gooien: toen scheurde het net. De Heere Jezus laat ons zien dat we God
echt nodig hebben. God heeft met onze teleurstellingen, die zeer verdrietig zijn, soms zeer
genadige bedoelingen. Deze periode kan dus ook heilzaam zijn, ondanks alle zorgen en
problemen. Wellicht gaan wij anders aankijken tegen gezondheid en geld. Wat heeft
waarde en waar vertrouw je op?

Jezus vraagt om het over een ander boeg te gooien. De discipelen wisten echt wel hoe ze
moesten vissen, maar toch doen ze het. Wellicht moeten wij het ook anders doen: met de
schepping, de economie, in de kerk en de samenlezing. Zelfs individualisten roepen op om
op elkaar te letten en voor elkaar te zorgen. Ook de schepping profiteert van de rust: de
lucht en het water zijn schoner en er zijn meer dieren te zien.

Het werk van de discipelen wordt toch nog gezegend: alleen anders en later. Als de
discipelen op het land komen, zien ze dat de Man al eten heeft. Hij kan voor Zichzelf
zorgen, maar zorgt er wel voor dat de discipelen ook genoeg krijgen. Hieruit leren we dat
Jezus niet afhankelijk is van ons, maar wij wel van Hem. Wij hebben de opdracht om voor
onszelf en voor anderen te zorgen.

Jezus openbaart zich niet direct, maar geleidelijk. Net zoals bij Maria. De discipelen
herkennen Hem niet gelijk, maar gaandeweg breekt het licht door en ontdekken ze dat het
Jezus is: de opgestane Heere. Om tot dit inzicht te komen vraagt Hij om eten en geeft
opdracht om het anders te doen. We kunnen denken aan dat gedicht over de voetstappen
in het zand, waar we hand aan hand lopen met de Heere.

Er is toch een spanning, want niemand durft te vragen wie Hij was, want ze wisten dat Hij
de Heere is (vers 12). Ook als je de Heere kent, kun je vol vragen zijn. In het gedicht wordt
gesproken over de enkele voetstappen in het zand. Je was toen echter niet allen, want
“toen het moeilijk was heb Ik jou gedragen”.

De 7 discipelen waren verschillende mensen. Ze hadden elkaar wel nodig. Johannes is de
denker die het eerst Jezus herkent. Petrus is impulsief en komt direct in actie, maar heeft
wel Johannes nodig om tot het inzicht te komen. Ook in deze tijd zien we dat: de ene is
lamgeslagen, de ander wordt juist creatief en neemt veel initiatieven. In deze tijd is het
extra belangrijk om naar elkaar om te zien en om elkaar tot een hand en een voet te zijn.
In deze tijd moet de kerk het misschien ook wel over een andere boeg gooien. De
hulpvragen voor de diaconie zullen toenemen. Daarnaast zullen er meer levensvragen en
geloofsvragen gesteld worden. Diaconie en pastoraat zullen elkaar hard nodig hebben.
We zullen elkaar nodig hebben en zo het ene lichaam van Christus vormen.

De discipelen hebben nooit zoveel vissen gevangen: 153. Petrus spreekt later bij
Cornelius over de opstanding van Jezus en dat hij met Hem gegeten heeft. Eens zal Jezus
ook het feestmaal aanrichten, aan het einde van de tijden. De discipelen zijn vissers der
mensen geworden, zodat zoveel mogelijk mesen opgeroepen worden om deel te nemen
aan dit feestmaal. Geprezen zijn de Heere die eeuwig leeft: Halleluja!
Amen.

Archieven

Categorieën