7 april 2019

Lukas 22:31,32a

Predikant:
Bijbeltekst: Lukas 22:31,32a
Dienstsoort:

Samenvatting

De Heere Jezus heeft het avondmaal ingesteld, waarbij Hij het brood en de wijn heeft uitgedeeld. Hij wist wat er zou gebeuren, namelijk dat hij Zijn leven zal geven aan het kruis. Hij gaf dit alles, ja Zichzelf, aan Zijn discipelen. Het is de vraag of de discipelen beseften wat er gebeurd was, want kort daarna twisten de discipelen over wie de meeste is. Verstaan wij wel wat God ons gegeven heeft? De Heere Jezus waarschuwt de discipelen voor de satan die hen wil ziften als de tarwe. Petrus wordt tot twee keer toe met zijn oude naam aangesproken: “Simon, Simon”. De satan heeft Petrus opgeëist. Dat doet ons denken aan de eerste hoofdstukken van het boek Job, waarbij de satan toestemming krijgt van God om Job alles af te nemen, behalve zijn leven. Dat gebeurt hier in zekere zin ook. De vrouw van Job zei toen “vervloek God en sterf”. Daar is de duivel op uit, dat we afscheid nemen van God. Deze waarschuwing is ook voor ons bedoeld. De satan richt in het bijzonder zijn pijlen op de volgelingen van Jezus. Met ziften wordt de zeef heen en weer geschud, zodat het kaf van het koren wordt gescheiden. De duivel schudt ons heen en weer zodat we omvallen en afscheid nemen van de Heere. Simon Petrus heeft goed begrepen wat Jezus bedoelt. In vers 34 wordt dit duidelijk als Petrus zegt dat hij bereid is om met Jezus de gevangenis en zelfs de dood in te gaan.

De Heere Jezus zegt niet dat Petrus niet zou vallen, maar wel dat Hij voor Hem gebeden heeft dat zijn geloof niet zou ophouden. De Heere laat het dus wel toe dat Petrus valt. Door die val heen zal Petrus toch weer het geloof ontvangen. De Heere zorgt er dus voor dat je niet voor goed ten val komt. Dat mag ons allemaal tot een troost zijn, want de Heere Jezus bidt ook nu voor ons. In het hogepriesterlijk gebed (Johannes 17) staat “Ik bidt niet alleen voor hen (de discipelen), maar ook voor al degene die door hun woord in Mij geloven zullen”. Het geloof is Gods gave (Efeze 2), dus iets wat God ons geven wíl. Met psalm 81 mogen we gelovend zingen dat God ons alles schenkt wat ons ontbreekt. Als de Heere Jezus bidt is Hij daar met Zijn hele bestaan en al de liefde van Zijn hart bij betrokken.

Petrus zegt dat Jezus niet bang hoeft te zijn dat hij zou vallen. Jezus zegt echter dat Petrus vannacht al door de knieën zal gaan voor de duivel. Daarna gaat Jezus met Zijn discipelen naar de hof van Getsémané. Daar doet Hij het indringende gebed of Zij Vader de drinkbeker van het oordeel aan Hem voorbij zou kunnen laten gaan. Tegen de discipelen zegt Jezus “waakt en bidt opdat je niet in verzoeking komt”. Het vallen voor de verzoeking van de duivel is geen lot, want Jezus geeft de discipelen een wapen tegen de satan in handen: het gebed. Bidden is afzien van jezelf en opzien tot de Heere, waar je de genade van verwacht. We moeten er rekening mee houden dat de duivel ons niet zomaar loslaat. De duivel kan echter niet tegen het wapen van het gebed op. Daarom zegt de Heere Jezus ook met aandrang tegen ons “waakt en bidt”! Door de vermaning wordt de genade meer. De discipelen doen er echter niets mee, maar ze vallen in slaap. Er zijn momenten in ons leven dat we ons bed uit moeten om te bidden. Doordat de discipelen niet bidden, gaat in vervulling wat de Heere Jezus gezegd heeft. Als een dienstmeisje zegt dat Petrus ook bij Jezus was, ontkent hij dat hij Jezus kent. Daarna ontkent Petrus nog twee keer dat hij bij Jezus hoort. Daarna kraait de haan. Dan draait Jezus Zich om en ziet Petrus aan. Zo is Jezus: Hij bidt niet allen, maar ik ook helemaal bij Petrus betrokken. Petrus denkt er aan wat Jezus gezegd had, gaat naar buiten een weent bitter. Op het moment dat Petrus valt, maar niet ten onder gaat, kijkt Jezus hem aan. Zo kijkt Jezus ook ons aan. In de blik van Jezus zit enerzijds een stil verwijt: drie jaar met Me omgegaan, wonderen gezien, het avondmaal gevierd, enzovoorts. Jezus zegt als het ware “Petrus waaraan heb Ik dit te danken, da je me nu afdankt?” In de blik van de Heere Jezus zit ook Zijn liefde. Deze blik van Jezus treft doel. Dan komen er drie zware dagen aan voor Petrus. Jezus wordt gekruisigd, sterft en wordt begraven. Kan Petrus het ooit nog goedmaken?

Met Pasen zeggen de discipelen “de Heere is waarlijk opgestaan en van Simon gezien”. Petrus was de eerste discipel waar de Heere Jezus aan verscheen. De Heere Jezus komt ook ons te hulp. Indien iemand gezondigd heeft, we hebben een voorspraak bij de Vader. Hij is een verzoening voor onze zonden en niet allen voor onze zonden, maar ook voor de zonden van de hele wereld. Wij moeten pleiten op de Voorbidder bij de Vader.

Waarom heeft de Heere toegelaten dat Petrus toch is gevallen? De Heere Jezus had Hem gewaarschuwd en een wapen gegeven, maar Petrus heeft dit niet gebruikt. In ons leven mogen we dat ook afvragen als we in de zonden vallen. Petrus heeft nooit zoveel van Jezus gehouden als op de dag van de opstanding: dat is wederliefde. De val van Petrus is gebruikt om ook ons te leren dat we alleen door Zijn liefde, voorbede en genade gezaligd kunnen worden: “door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen”. God wil niet dat we verloren gaan, maar dat we Zijn genade aanvaarden. Wie verhardt in het kwaad, zal in de zonden sterven, maar wie tot Hem komt zal geenszins uitgeworpen worden.

Amen.

Archieven

Categorieën