6 november 2022

Waar kom je vandaan en waar ga je naar toe?

Predikant:
Bijbeltekst: Genesis 16:8-8, 13-14
Dienstsoort:

Samenvatting

Vluchten kan een oplossing lijken, maar vaak is dat het toch niet echt. In een asielzoekerscentrum is de situatie vaak heel schrijdend. In deze geschiedenis is de heidense vrouw, Hagar, op de vlucht. Zij is de slavin van Sarai, die waarschijnlijk met Abraham en Sarai is meegekomen toen ze tijdens een hongersnood in Egypte waren. Abraham kwam uit Ur en had daar de afgoden gediend. Toen werd hij opeens door God geroepen: “ga naar het land dat Ik u wijzen zal”. Ook kreeg Abraham een belofte van God, namelijk dat hij tot een groot volk zou worden, met een schare die niemand tellen kan. Doordat Abraham wegging liet hij alle zekerheden achter. Sarai liet zich overhalen omdat er een talrijk nageslacht beloofd werd, want ze was tot dan toe onvruchtbaar. Als je geen kinderen kunt krijgen is dat een groot gemis en verdriet. In die tijd was het zelfs een schande.

Nadat Abraham en Sarai in het beloofde land zijn aangekomen, komen er echter nog steeds geen kinderen. In Genesis 15 vernieuwt God Zijn belofte. Abraham is dan al 85 jaar en Sarai is ook al oud en in de overgang (vers 2). Dan komt de aanklager (de duivel) die twijfel zaait over de beloften van God. Sarai bedenkt iets om God “een handje te helpen”. Zo wordt God voor de voeten gelopen. Ze bedenken dat ze het beloofde kind ook kunnen ontvangen via de draagmoeder Hagar. Sarai en Abraham mogen het kind dan als hun eigen kind beschouwen. Voor de eigen plannen zonder God geldt echter “zo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden de bouwlieden eraan” (psalm 127). Abraham gaat mee in het voorstel van Sarai, wat een grote zonde is (vers 2). Toch werkt God Zijn plan dwars door onze zwakheden en onmogelijkheden heen uit. Als gevolg hiervan laat God 13 jaar niets meer van zich horen. Er rust dus geen zegen op. Als Hagar zwanger is geworden, wordt Sarai jaloers. Hagar maakt misbruik van de situatie en veracht Sarai (vers 4). Sarai geeft Abraham de schuld en hij kiest nu wel partij voor haar. Sarai mag met Hagar doen wat ze wil. Doordart Sarai haar zo vernedert, vlucht Hagar (vers 6).

Wie is Hagar eigenlijk? Laten we de geschiedenis leggen langs de drie stukken van de catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid. Een zwangere vrouw alleen in de woestijn is een ellendige situatie. God vergeet haar niet, want de Engel des Heeren zoekt haar op. Jezus komt haar dus met Zijn opzoekende liefde tegemoet, met de vraag “waar kom je vandaan en waar ga je naar toe?” Verhalen van vluchtelingen zitten meestal vol met verdiet en ellende. Hagar antwoordt dat ze bij haar meesteres vandaan komt. Ze vergeet echter te zeggen dat ze uit een stukje paradijs komt, waar ze moedwillig vandaan is gegaan. Ook vertelt ze niet waar ze naar toe gaat. Omdat ze bij Sur is, is ze op weg naar Egypte. Ze gaat dus terug naar af. Dan gebruikt de Engel des Heeren in vers 9 het woord “sjoev”, wat betekent: keer om. Hagar wordt opgeroepen om terug te keren naar haar meesteres en zich te onderwerpen.

Ook wij zijn uit het paradijs gevlucht. Ook aan ons vraagt God waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. Ook God roept ons terug. Hij wil dat we ons bekeren en ons overgeven aan God. Ons koninkrijk moet er aan, ten goede van het koninkrijk van God. Hij moet wassen en ik moet minder worden (Johannes 3: 30). In de kerstnacht heeft God Zijn Zoon naar de aarde gestuurd om ons terug te brengen bij God. Ook tegen ons wordt “sjoev” gezegd: bekeer u. God zegt dat Hagar haar zoon Ismaël (God hoort) moet noemen, want God heeft haar verdrukking gehoord (vers 11). Ismaël zal echter wel een wilde ezel zijn en zijn hand zal tegen allen zijn (vers 12). Nog steeds staan Israel en de Arabieren tegenover elkaar. Toch is er hoop, want in Genesis 49 zegt Jacob tegen Juda dat Hij de ezel bindt aan de wijnstok. Joden en Arabieren kunnen beiden dus verbonden worden met de Ware Wijnstok, Christus. Zo is er hoop en leven. Bij de begrafenis van Abraham zijn beide zonen, Izaäk en Ismaël, erbij

Hagar is teruggekeerd en heeft zich onderworpen aan haar meesteres. Jezus onderwierp Zich ook en nam de gestalte van een dienstknecht aan (Filippenzen 2: 7), zodat wij vrij zouden worden. Hagar heeft dus ellende en verlossing meegemaakt. Haar dankbaarheid blijkt uit de naam die ze aan God geeft El Roï: U bent de God die naar mij omziet (vers13). In het midden van de woestijn is er dus hoop en leven. De waterput (bron van leven) in de woestijn wordt daarom Lachai-Roï genoemd (vers 14). Jezus zegt daarom ook: Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven (Mattheus 11: 28). Dan gaan we naar Gods Huis, het eeuwige Vaderhuis.

Amen.

Archieven

Categorieën